20-11-11

Naar Indië

Griet, MacLeod en de kleine Norman John reisden naar Abawara, een stadje midden op Java. Griet werd meteen verliefd op de omgeving: de weelderige natuur, de prachtige vergezichten en de betoverende kleuren. Ook de gratie van de bevolking sprak haar aan. In tegenstelling tot de meeste andere echtgenotes van militairen was ze geïnteresseerd in de kleding en gebruiken van de 'inlanders’ en ging ze zelf ook sarongs dragen.

Maar ondanks de nieuwe omstandigheden veranderde er niet veel aan haar huwelijk. Ze hadden hun problemen meegenomen naar Indië. Rudolf trok zich weinig van Griet aan, maar ontstak in woede zodra een andere man interesse in haar toonde, al was het maar beleefde belangstelling. In een van haar brieven schreef ze dat Rudolf geen mooie jurken voor haar wilde kopen omdat ze dan te aantrekkelijk werd voor andere mannen. Misschien speelde dat een rol, maar Rudolfs geldgebrek was vermoedelijk een nog belangrijker reden. De MacLeods nodigden regelmatig andere leden van de koloniale militaire en bestuurlijke elite uit - een verplichting waaraan ze zich moeilijk konden onttrekken - en bovendien gaf Rudolf te veel geld uit aan zaken waar zijn vrouw liever de ogen voor sloot. Dat ze als reactie wel eens met andere officieren flirtte, was begrijpelijk, hoewel dat niet veel voorstelde. Daarvoor was de atmosfeer ook in het verre Indië te burgerlijk en te benepen.


Buitenechtelijke affaires tussen officieren en echtgenotes van hun collega’s waren een zeldzaamheid, ondanks de suggestie die soms in romans of brieven wordt gewekt. De heren zochten hun pleziertjes vooral bij inlandse meisjes. Dat was een situatie die weliswaar niet werd aangemoedigd, maar wel getolereerd. De fout die Rudolf maakte was dat hij, ook door drank en frustratie over zijn gebrek aan vooruitzichten, zich vaak onredelijk gedroeg tegenover zijn personeel. Zijn vrouw schoffeerde hij door openlijk een Indisch meisje als concubine te nemen en haar protesten de kop in te drukken met het argument dat zoiets gebruikelijk was in de koloniën. Daar vergiste hij zich in.

Het mocht gebruikelijk zijn, mits de vereiste discretie in acht werd genomen. Op deze manier vernederde hij ook de Indische bedienden. Rudolf onderhield nog steeds echtelijke relaties met Griet, die in verwachting raakte van haar tweede kind. Haar zwangerschap viel grotendeels samen met de gevreesde moessontijd op Java, waarin het vaak dagenlang stortregende en de wegen veranderden in modderstromen die alle verkeer onmogelijk maakten. Gefrustreerd, verveeld en dikwijls depressief zat Griet gevangen in haar eigen huis. Waarschijnlijk om zijn vrouw alle kans op contact te ontnemen verbood Rudolf haar zelfs om Maleis te leren, maar Griet trok zich daar niets van aan. Zoals veel dingen in Indië had ook de melodieuze taal van het land haar belangstelling.

Op 2 mei 1898 werd het tweede kind geboren. Als Griet al had gehoopt dat die geboorte hun huwelijk een nieuwe impuls zou geven, kwam ze bedrogen uit. MacLeod was blij met de baby, maar teleurgesteld dat het een dochter was. Hij noemde haar Jeanne Louise, naar zijn zuster, maar in de familiekring kreeg ze de koosnaam Non, Maleis voor 'meisje’. Na verloop van een jaar werd MacLeod overgeplaatst naar Medan op Sumatra. Hij kon zijn gezin niet onmiddellijk meenemen en zou hen pas later laten overkomen. Voorlopig werden zijn vrouw, zijn zoontje en de baby ondergebracht bij de administrateur. Opnieuw was Griet gedwongen bij iemand anders in te wonen en voelde ze zich een vreemde.

De betalingen die MacLeod zou sturen voor haar onderhoud lieten op zich wachten, waardoor ze zich extra schuldig voelde, als een klaploper. Ook dat gevoel had echo’s uit haar tienerjaren. Alleen had ze nu twee kinderen om voor te zorgen. Ondanks haar huwelijksproblemen was het daarom een opluchting toen MacLeod haar en de kinderen eindelijk liet overkomen naar zijn huis in Medan. Inmiddels was hij garnizoenscommandant en kon hij beschikken over een ruime, goedgebouwde woning. Als echtgenote van de commandant was het Griets plaats om als gastvrouw te fungeren op dure feestjes, een taak waarvan ze zich met verve kweet.

In haar kleine koninkrijk regeerde ze nu als een vorstin en kon ze zich ontwikkelen tot een toonbeeld van schoonheid en gratie, gekleed in de laatste mode uit Amsterdam. Dankzij haar goede taalgevoel en de Duitse contacten uit haar jeugd kon ze buitenlandse bezoekers ontvangen in het Duits of wat school-Frans, terwijl ze het personeel in het Maleis toesprak. Ze speelde zelfs piano en ze danste, zoals ze van jongs af aan had gedaan. MacLeod kreeg meer respect voor haar en het huwelijk leek in rustiger vaarwater te komen. Totdat de nacht van de 27ste juni 1899 aanbrak en hun hele wereld instortte. Griet was al naar bed toen ze werd gewekt door gegil uit de kinderkamer.

In paniek rende ze erheen. De stank van braaksel sloeg haar tegemoet. Norman John en Non waren doodziek, hun braaksel had een vreemde zwarte kleur, en ze hadden vreselijke kramp. Doodsbang klemde Griet de arme kinderen tegen zich aan, terwijl MacLeod het huis uit rende, op zoek naar een arts. Maar tegen de tijd dat de dokter arriveerde was Norman John al dood. De arts nam de zieke Non uit de armen van zijn moeder om haar naar het ziekenhuis te brengen. Gelukkig overleefde ze de aanval en kwam ze er weer bovenop. Er gingen allerlei geruchten over de dood van Norman John, maar vermoedelijk waren beide kinderen vergiftigd. Hoe en door wie dat was gebeurd, werd nooit duidelijk, maar de meest aannemelijke verklaring was een wraakneming uit Indische kring voor het gedrag van Rudolf MacLeod.