20-11-11

De Leidse school

Het kleuteronderwijs in Nederland stond in die tijd nog in de kinderschoenen. In Leiden was in 1867 een avondcursus van start gegaan voor ‘bewaarschoolhouderessen’, kleuterjuffen dus. Initiatiefneemster was mejuffrouw Louise Hardenberg, die zich met hart en ziel voor haar ideaal inzette. Ze was hoofd geweest van een kleuterschool in Goes, waar ze voldoende ervaring had opgedaan om jeugdige leraressen het vak te bij te brengen.

Naast juffrouw Hardenberg werd een onderwijzer uit Haarlem, Wijbrandus Haanstra, verzocht een deel van de lessen voor zijn rekening te nemen. Aanvankelijk werd lesgegeven in de kleuterschool aan het Rapenburg, waar de bankjes omhoog werden gekrikt voor de studentes, die uiteraard langer van postuur waren dan de kleuters die de klassen normaal bevolkten. De avondopleiding werd spoedig omgezet in een volwaardig dagprogramma. Dankzij particuliere giften konden extra lokalen worden gebouwd, uitsluitend bestemd voor de studentes om de lessen te volgen. Wat ze hadden geleerd werd vervolgens op de kleuterschool in praktijk gebracht.



In 1899 maakte juffrouw Hardenberg, die door de studentes dikwijls als een tweede moeder werd gezien, plaats voor haar zuster, mevrouw De Bock-Hardenberg, die tot 1914 naast Haanstra leiding zou geven aan de school en zich behalve om het onderwijs vooral ook om het welzijn van de meisjes bekommerde. Verder liet Haanstra zich assisteren door een team van leraressen, grotendeels door hemzelf opgeleide ex-studentes, doordrongen van de principes van de school. Andere oud-leerlingen zwermden uit over heel Nederland om de ideeën van de Leidse kweekschool te verbreiden en het kleuteronderwijs een nieuwe impuls te geven.

Toen de school groeide, werd Haanstra tot directeur benoemd, met juffrouw Hardenberg als zijn medewerkster. Het principe van de Leidse school kwam er, kort gezegd, op neer dat kleuters vooral door spelen moesten leren. Het onderwijs moest aansluiten op de spontane ontwikkeling van het kind. Deze benadering had veel succes, ook in het buitenland, zodat Haanstra op een gegeven moment zelfs een verzoek vanuit Antwerpen kreeg om een aantal meisjes in Leiden de opleiding te laten volgen. Juffrouw Hardenberg kreeg de zorg voor deze meisjes, en op het Rapenburg, naast de kweekschool zelf, werd een huis ingericht om de studentes onder te brengen. Dit was het begin van het internaat van de Leidse opleiding, waar meisjes uit het hele land, en zelfs uit Nederlands-Indië, een plek vonden. Dit internaat heeft nog jarenlang bestaan, tot in 1963.

De school zelf werkte jarenlang niet met vaste lesroosters, maar met schema’s en onderwerpen. Groepjes studentes verdiepten zich enkele weken in een bepaald thema. Die onderwerpen liepen uiteen van wetgeving tot handvaardigheid, maar het was vooral van belang dat de studentes zelf op ontdekkingsreis gingen. Daarbij werden ze intensief begeleid door de docenten. Haanstra zelf nam een groot deel van het onderwijs voor zijn rekening, en deed dat met zoveel enthousiasme dat hij soms de tijd vergat en veel te lang doorging met zijn lessen. Daarom had hij zijn studentes gevraagd hem tijdig voor het eind van de les te waarschuwen door een liedje te blazen op een fluit of een trompet. Voor een meisje dat door een lerares werd bestraft omdat ze te lui was om haar huiswerk te maken bedacht hij een bijzondere straf. ‘Ren maar naar de tuin om een hokje te timmeren voor de eend.’ De studente gehoorzaamde vrolijk, blij dat de directeur begreep dat ze liever actief bezig was. Haanstra had een voorliefde voor vaderlandse geschiedenis, waarover hij dictaat gaf, dat na een tijdje tot een waar geschiedenisboek uitgroeide.

Voor sommige concrete vakken, zoals Frans en Duits, werden vakleerkrachten aangetrokken. Tussentijdse tentamens en rapporten kende de school eigenlijk niet. Wel werden de vorderingen van de studentes schriftelijk bijgehouden, zodat ouders die daarom vroegen inzage konden krijgen in de schoolprestaties van hun dochter. In juni en juli moest het examen voor hoofdleidster worden afgelegd. Vanwege de onconventionele benadering werd door de buitenwereld wel opgemerkt dat iedereen daar toch voor slaagde, maar daarbij werd vergeten dat er al in het voorjaar een selectie van de kandidates had plaatsgevonden. Op basis van het oordeel dat de directeur en de leraressen zich hadden gevormd werd een studente dan al gezegd of ze tot het examen zou worden toegelaten. Het voordeel was dat de school op die manier bepaalde spanningen van het onderwijs vermeed, maar het legde wel een grote verantwoordelijkheid bij de directeur en zijn staf, die het juiste evenwicht moesten vinden tussen hun persoonlijke oordeel en harde, objectieve criteria.

Dat was de omgeving waar Griet Zelle als meisje van zestien terechtkwam toen ze vanuit Sneek naar Leiden vertrok. De sfeer op de school beviel haar goed, ze was intelligent en ze had weinig moeite met het programma. Daar stond tegenover dat ze niet, zoals veel andere studentes, werd gemotiveerd door een echte liefde voor het kleuteronderwijs. Voor Griet was dit min of meer een noodoplossing, die anderen voor haar hadden bedacht. Juist daardoor kwam ze soms in conflict met de leiding van de school, die haar verweet dat ze meer met zichzelf en haar sociale contacten bezig was dan met de lesstof en de voorbereiding op haar toekomstige werk. En ook in een ander opzicht paste ze niet bij de sfeer op school. Zoals een Nederlandse krant ooit over de Leidse kweekschool schreef: 'Wie daar haar haren opkamde of haar nagels soigneerde werd als een onwaardige verbannen.’

Het had op Mata Hari van toepassing kunnen zijn. Griet zag zichzelf niet echt als kleuterjuf. Ze hield van muziek, een talent dat door de school werd gestimuleerd, maar ook van dansen, waar de schoolleiding bedenkingen tegen had. Bovendien toonde ze grote belangstelling voor de Leidse studenten die hun stempel op de stad drukten en graag met de meisjes van de kweekschool uit wandelen gingen.